|
-- |
|
|
|
|
|
|
| Art. 1.
1. In deze wet wordt verstaan onder: 1º. Onze Minister: Onze Minister van Justitie; 2º. de korpschef:
de korpschef, bedoeld in artikel 24 van de Politiewet 1993;
4º. munitie:
patronen en andere voorwerpen, bestemd of geschikt om een projectiel of
een giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende of soortgelijke
stof door middel van een schietwapen af te schieten of te verspreiden,
alsmede projectielen, bestemd om afgeschoten te worden door middel van
een schietwapen, waarvan de werking niet berust op een natuurkundig proces;
5º. beheerder: degene die onmiddellijk leiding geeft aan de uitoefening van een bedrijf, waarin wapens en munitie worden vervaardigd, getransformeerd, uitgewisseld, verhuurd of anderszins ter beschikking gesteld, hersteld of verhandeld; 6º. invoer: hetgeen daaronder wordt verstaan in de In- en uitvoerwet (Stb. 1962, 295), handelingen waarmee beoogd wordt goederen, anders dan als binnengekomen douanegoed in de zin van de Wet inzake de douane (Stb. 1992, 54), tijdelijk in het verkeer te brengen, daaronder begrepen; 7º. binnenkomen en uitgaan: het binnen het grondgebied van Nederland komen anders dan uit België of Luxemburg respectievelijk het verlaten van het grondgebied van Nederland, anders dan naar België of Luxemburg; 8º. doorvoer: binnenkomen, gevolgd door uitgaan, met inbegrip van uitgaan over het grondgebied van België of Luxemburg; 9º. vervoer van een wapen: het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen dat zodanig is verpakt, dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend; vervoer van munitie: het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van munitie; 10º. dragen van een wapen: het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen anders dan voor vervoer in de onder 9º bedoelde zin; 11º. overdragen: het aan een ander doen overgaan van de feitelijke macht; 12º. Europese schietwapenpas: het document dat wordt afgegeven door de autoriteiten van de lid-staten van de Europese Gemeenschappen aan de wettige houder en gebruiker van een schietwapen. 2. Bij algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat een voorwerp als bedoeld in het eerste
lid, onder 3º, waarvan de werking berust op een natuurkundig proces,
slechts een schietwapen is in de zin van deze wet, indien het behoort tot
een bij die maatregel nader aangegeven groep van voorwerpen.
1. Wapens in de zin
van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid
aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.
1º. stiletto's en andere opvouwbare messen, valmessen alsmede andere blanke wapens, een en ander voor zover het lemmet meer dan een snijkant heeft, met uitzondering van bajonetten; 2º. valmessen, waarvan het lemmet door een pal kan worden vastgezet, met uitzondering van die welke niet van een stootplaat zijn voorzien en waarvan het lemmet een lengte heeft van minder dan 7 cm of waarvan het lemmet een lengte heeft van meer dan 7 cm maar minder dan 9 cm, een en ander gemeten vanaf het heft, mits dit lemmet, in laatstbedoeld geval, gemeten over het midden smaller is dan 14 mm; 3º. boksbeugels, ploertendoders en wurgstokken; 4º. schietwapens en blanke wapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een wapen; 5º. schietwapens die zodanig zijn gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd; 6º. katapulten, met uitzondering van zulke die klaarblijkelijk zijn bestemd om als speelgoed te worden gebruikt en die redelijkerwijze niet geschikt kunnen worden geacht om projectielen weg te schieten met een zodanige kracht of gerichtheid, dat daardoor personen ernstig lichamelijk letsel wordt toegebracht; 7º. andere door
Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen
kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging
of afdreiging geschikt zijn.
1º. schietwapens die niet onder een van de andere categorieën vallen; 2º. schietwapens, geschikt om automatisch te vuren; 3º. opvouwbare schietwapens en schietwapens, waarvan de kolf of de loop in verschillende delen uitneembaar zijn; 4º. geluiddempers voor schietwapens; 5º. bajonetten; 6º. voorwerpen, bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende,traanverwekkende en soortgelijke stoffen, met uitzondering van medische hulpmiddelen en van schietwapens in de vorm van revolvers en pistolen, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof; 7º. voorwerpen
bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel
van ontploffing, met uitzondering van explosieven voor civiel gebruik indien
met betrekking tot deze explosieven erkenning is verleend overeenkomstig
de Wet explosieven voor civiel gebruik.
1º. schietwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen voor zover zij niet vallen onder categorie II sub 2º, 3º of 6º; 2º. toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten; 3º. degens, zwaarden of sabels, die niet bestemd zijn voor de schermsport, alsmede werpmessen; 4º. wapenstokken; 5º. door Onze
Minister aangewezen alarm- en startpistolen en -revolvers.
Voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen. Onderverdeling munitie in categorieën 2. Munitie in de zin van deze wet is, onderverdeeld in de volgende categorieën: Categorie I Munitie die uitsluitend
geschikt is voor schietwapens van categorie I.
Categorie II 1º. munitie
die uitsluitend geschikt voor schietwapens van categorie
II dan wel uitsluitend
2º. munitie die een giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende of soortgelijke stof verspreidt, met uitzondering van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof, bestemd voor schietwapens in de vorm van revolvers en pistolen; 3º. munitie voorzien van een projectiel waarmee een pantserplaat kan worden doorboord, munitie voorzien van een projectiel met brandsas of met een explosieve lading, alsmede de voor deze munitie bestemde projectielen; 4º. munitie voor pistolen en revolvers voorzien van expanderende projectielen, alsmede de voor deze munitie bestemde projectielen, behalve wanneer het voor de jacht of de schietsport bestemde munitie of projectielen betreft. Categorie III Alle overige munitie. 3. Aanwijzingen door
Onze Minister, als bedoeld in het eerste lid, geschieden bij regeling.
1. De bepalingen betreffende wapens zijn mede van toepassing op onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn. 2. De bepalingen
betreffende munitie zijn mede van toepassing op onderdelen van die munitie,
voorzover geschikt om munitie van te maken.
1. Onze Minister
kan van bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften of verboden
a. wapens die niet voor gebruik als zodanig geschikt te maken zijn; b. wapens die het karakter dragen van oudheden; c. andere wapens, voor zover deze bestemd zijn voor dan wel deel uitmaken van een verzameling of een wandversiering; d. munitie, voor zover deze bestemd is voor dan wel deel uitmaakt van een verzameling. 2. Onze Minister trekt een krachtens het eerste lid verleende ontheffing in: a. indien onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot verlening van de ontheffing; b. in geval van misbruik van de ontheffing of van een wapen; c. indien de wapens
niet meer behoren tot een van de in het eerste lid genoemde groepen.
Onze Minister kan
bij regeling nadere omschrijvingen geven van de in artikel
2, eerste lid,
1. De in deze wet
genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven, vrijstellingen
en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend.
2. De instantie die
een erkenning, consent, vergunning, verlof of ontheffing heeft verleend
kan deze intrekken bij niet inachtneming van een daaraan verbonden voorschrift.
1. De in deze wet genoemde consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen kunnen, onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, worden geweigerd, wanneer daartoe dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen bestaan. Wijziging of intrekking wegens dringende redenen 2. De in deze wet
genoemde consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen, kunnen, onverminderd
de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door Onze Minister
worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer daartoe dringende, aan het algemeen
belang ontleende, redenen bestaan.
1. Hij die een wapen of munitie voorhanden heeft, zonder daartoe gerechtigd te zijn, is verplicht deze terstond bij de korpschef in bewaring te geven. 2. Indien dringende, aan het algemeen belang ontleende, gronden daartoe aanleiding geven is de korpschef bevoegd bij schriftelijk bevel, gericht tot degene die een wapen of munitie voorhanden heeft, te gelasten deze binnen een in dat bevel gestelde termijn bij hem in bewaring te geven. 3. Indien dringende, aan het algemeen belang ontleende, gronden daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister bij algemene bekendmaking gelasten dat personen die een wapen of munitie voorhanden hebben, deze binnen een bepaalde termijn bij de korpschef in bewaring geven. 4. Bij toepassing van het tweede of derde lid wordt aangegeven welke gronden daartoe aanleiding hebben gegeven, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten. 5. Het in bewaring gegeven wapen en de munitie worden, voor zover de korpschef dat nodig acht, voor onmiddellijk gebruik ongeschikt gemaakt. 6. Over het in bewaring gegeven wapen en de munitie kan de rechthebbende beschikken met goedvinden van de korpschef. 7. De eigendom van het in bewaring gegeven wapen en de munitie gaat nadat de bewaring vijf jaren heeft geduurd over op de Staat, tenzij de rechthebbende binnen drie maanden voor het verstrijken van die termijn heeft verklaard daartegen bezwaar te hebben. Door een verklaring als hiervoor bedoeld vangt een nieuwe termijn van vijf jaren aan. 8. De bepalingen van dit artikel doen niet af aan de bevoegdheid tot toepassing van de wettelijke voorschriften inzake inbeslagneming, verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer. 9. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over
de wijze van uitvoering van dit artikel.
|
|
|
|
|