|
- |
|
|
|
|
|
|
| Art. 9.
1. Het is verboden zonder erkenning een wapen of munitie te vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een beroep of bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen of te verhandelen. 2. Een erkenning wordt op verzoek voor een periode van ten hoogste vijf jaar verleend door Onze Minister en kan op verzoek door hem worden verlengd voor periodes van telkens ten hoogste vijf jaar. 3. Een erkenning heeft uitsluitend betrekking op de daarin genoemde handelingen, soorten wapens en munitie en bedrijfseenheden. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op de krijgsmacht. 5. Bij algemene maatregel
van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald, dat
het eerste lid niet van toepassing is met betrekking tot het vervaardigen
of transformeren van munitie door bij die maatregel aan te wijzen personen
die bevoegd zijn een wapen of munitie voorhanden te hebben.
1. Een erkenning wordt uitsluitend verleend wanneer wordt voldaan aan het bij en krachtens de volgende leden bepaalde. 2. De aanvrager moet de door Onze Minister vastgestelde gegevens hebben overgelegd. 3. De beheerder dient
te voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
4. De ruimte waarin
het bedrijf zal worden uitgeoefend of wordt uitgeoefend, moet voldoen aan
door Onze Minister vastgestelde eisen van beveiliging.
Art. 11. Onverminderd het bepaalde in artikel 10 wijst Onze Minister een verzoek om erkenning af, indien hij reden heeft om te vermoeden: a. dat van de erkenning dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt; b. dat aan degene
die als beheerder moet gaan optreden van het bedrijf waarvoor erkenning
wordt gevraagd, het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden
toevertrouwd.
Art. 12. 1. Onze Minister trekt een erkenning in: a. indien onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot verlening of verlenging van de erkenning; b. bij niet inachtneming van de op grond van artikel 42 vastgestelde regels; c. in geval van misbruik van de erkenning dan wel van wapens of munitie; d. indien blijkt dat aan de beheerder van het bedrijf waarop de erkenning betrekking heeft, het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. 2. Onze Minister kan een erkenning intrekken: a. wanneer niet langer aan de bij of krachtens artikel 10 gestelde eisen wordt voldaan; b. indien de houder van de erkenning gedurende ten minste een jaar de handelingen waarop de erkenning betrekking heeft, niet heeft verricht. |
|
|
|
|